De Gereformeerde Kerk van onze dorpen zijn door onderstaande dominees’s bediend,

1 ds. H. Dijkstra 1889-1892; Chr.Geref.Kerk
2 ds. Jac. Kok 1892-1894;
3 ds. H. W. Felderhof 1894-1898;
4 ds. J. F. Jonkers 1900-1903;
5 ds. A. Ph. S. Schaafsma 1904-1908;
6 ds. W. L. Korfker 1909-1914;
7 ds. W. Goedhuys 1919-1920;
8 ds. S. E. Westbonk 1924-1927;
9 ds. H. J. Jager 1928-1932; (In 1948 hoogleraar vrijgemaakt
theologische hogeschool in Kampen;

10 drs. A. W. Wyminga 1932-1937;
11 ds. J. L. v. Apeldoorn 1938-1946;
12 ds. J. Kuiper 1946-1950;
13 ds. G. Sinia 1951-1955;
14 ds. J. Winter 1957-1963;
15 ds. E. Boswijk 1963-1967.
Dit was de laatste dominee die in de gereformeerde kerk van de Jutrijp Hommerts gestaan heeft . Daarna werd er een dominee beroepen in combinatie met de gereformeerde kerk van Woudsend ; daar woonde de dominee ook.
ds. C. v.d. Linden 1970-1974;
ds. D. Deuzeman 1976-1981;
ds. M. J. Kroon 1982-1986;

Nadat ds. Kroon afscheid van zijn beide gemeenten had genomen, kwam er ook een eind aan de combinatie met Woudsend en ging de Geref. Kerk “Samen op Weg” met de Hervormde gemeente van Jutrijp Hommerts.


De Hervormde gemeente in onze dorpen is door onderstaande dominee’s bediend,

1. Joost Pieters 1584- ?
2. Laurentis Alberts ? – 1613
3. M Thijsen - ? – gestorven in 1641; Begraven in de Hommertser kerk..
4. Antonius Petri 1642 – 1649 naar Britsum.
5. Schultetus Everhardi 1649 van de Lemmer, gestorven 3 mei 1678, begraven in de kerk van Jutrijp.
6. Regnerus Meilema 1679 van Woudsend, naar Langweer 1681.
7. Georgius Duinterp 1682, Gestorven 15 oktober 1713
Kandidaat Jacobus de Jongh neemt nu de dienst waar gedurende anderhalf jaar.
8. Jacobus Frochet 1715 – 1726 beroepen met Heeg, maar hij stierf voor zijn afscheid.
F.P. Couperus, Kandidaat en conrector aan de Latijnse school in Sneek heeft hier toen
drie jaar de dienst waargenomen.
9. Nicolaas Schiere ( kandidaat ) 1729, naar Oosthem 1730.
10. Wybrandus Gerardus Reddingius 1730van Oldeboorn ( kandidaat ), 1732 naar Goënga
11. Fredirik Deketh (kandidaat 1732 ), 1738 naar Schalsum.
12. Rudolphus Rudolphi (geboren in Peazens 15-9-1714, kandidaat) 1740-1781; begraven in de kerk van Jutrijp.
13. Petrus Bloemerts (kadidaat),1783 naar Diever 1784.
14. Anne Ypeij 1784 (kandidaat), 1788 naar Zuidwolde ( later professor in Leiden).
15. Johannes Henricus Regenbogen (kadidaat) 1789, naar Stavoren 1791.
16. Hermannes Wilhelmi (kandidaat) 1793, naar Wolsum 1809.
17. Anne Meiners (kandidaat) 1810, afgezet 1816.
18. Jan Sinninga Damsté (kandidaat) 1817, naar Bûrum 1819.
19. Hermannes Haga (kandidat1819, naar Wolwega 1823.
20. Johannes Offenhaus 1826 (kandidaat), naar Ezinghe 1828.
21. Engelbertus Schrader Fockens, geboren in Twijzel in 1804,als kandidaat bevestigt
op 16 november. 1828, emeritaat 1 januari. 1877.
22. P.J. Moeton van Ophemert 1877, naar Haarlem 1885.
23. A. Jonker 1887 van Tsjerkgaast, 1892 naar Oldeboorn.
24. L. J. v. Apeldoorn 1894 van Tzum, 1923 Emeritus. Vacature 1923- 1935.
25. H. J. Langman 1935 van Muiderberg, 1940 naar Groningen.
26. M. H. Bolkestein 1940 van Drogeham, 1946 naar Leeuwarden.
27. J. H. Dickhout 1946 van Beuningen, 1953 naar IJmuiden-oost.
28. H. de Noo 1953 van Exloërmond -1960.
29. J. A. Rietberg 1960-1966.
30. A. J. van Binsbergen 1966-1971, naar Bolsward.
31. L. J. Huisman 1973-1978 naar Heerenveen.
32. S.A. de Vries 1979- 1983 naar Raalte.
33. J. Bakker 1984- 1991 naar Bredevoort.

Samen-op-Weg met de plaatselijke Gereformeerde Kerk sinds 1987.
33 J. Bakker 1987- 1991 naar Bredevoort.

Gefedereerde Gemeente sinds 1 januari 1991.
34 W.T.Spoelstra-Postmus 1992-1999 naar Spijk.
35 R.Praamsma 2000-2005 naar Hardegarijp.

Protestantse Gemeente i.w. sinds 1 mei 2004.
35 R. Praamsma 2004-2005 naar Hardegarijp.
36 C.Koops 2005-2010
naar Ransdorp-Holysloot.

Protestantse Gemeente sinds 30 augustus 2006.
36 C.Koops 2005-2010
naar Ransdorp-Holysloot.

 

In 1869 word in de Hervormde Kerk te Hommerts een nieuw orgel geleverd door de orgelmakers L. van Dam & Zonen te Leeuwarden. De bouwkosten bedroegen ƒ 3650,-.
De ingebruikneming vond plaats op 27 December 1869. Het orgel kreeg een plaats in de kleine middeleeuwse dorpskerk van Hommerts, die in de eerste helft van de 19de eeuw ingrijpend was gewijzigd.
In 1876 werd de oude kerk afgebroken.

 

 

Door een schenking van twee broers kon een nieuwe, ruim opgezette kerk worden gebouwd. Het orgel werd herplaatst in de nieuwe kerk.

Wie dat heeft gedaan, valt niet meer na te gaan omdat juist uit die periode geen kerkvoogdij- administratie bewaard bleef. In 1889 blijkt het onderhoud in handen van J.F. Kruse te zijn (opvolger van W. Hardorff). In 1905 gaat het onderhoud over naar de Fa. Bakker & Timmenga. In 1910 werden de registerknoppen voorzien van porseleinen naamplaatjes. Wellicht waren de namen oorspronkelijk, zoals Van Dam in die periode veel deed, op papier (of leer) aangebracht.
In 1925 werd het orgel door de Fa. Bakker en Timmenga met een vrij pedaal vergroot, waartoe de kas ruimschoots plaats bood. Ook werd de Quint 3vt door een violon 8 vt vervangen.Waarschijnlijk is tevens bij die gelegenheid een zwelkast om het bovenwerk aangebracht. De werkzaamheden kosten ƒ3750,-.
In 1962 werden werkzaamheden uitgevoerd door de orgelmaker Mense Ruiter te Groningen. De balg werd hersteld. Enkele registers werden verschoven om expressions te kunnen aanbrengen. Voorstellen tot dispositie-wijziging(Quint 3 vt i.p.v. violen, Mixtuur op Hoofdwerk, Quint 1½ vt op Bovenwerk) werden niet uitgevoerd. Nadat de toestand van het orgel verslechterde ten gevolge van de kerkverwarming werd besloten tot algeheel herstel over te gaan. Deze restauratie werd in 1988 uitgevoerd door Mense Ruiter Orgelmakers BV te Zuidwolde.Adviseur was Jan Jongepier. De ingebruikneming vond plaats op 27 januari 1988.

De werkzaamheden bestonden uit de volgende onderdelen:
* De kas werd hersteld. Het aanbrengen van de zwelkast (die al geruime tijd weer weggenomen was) had een groot deel van het dak doen verdwijnen. Dat is nu gecompleteerd. In het kader van schilderwerkzaamheden aan het kerkinterieur is de kast opnieuw in eikenimitatie geschilderd. Rond de claviatuur werden bovendien alle ontsierende leidingen en schakelaars weggenomen.
* Aan de claviatuur werd het normale herstel van bestaande functies uitgevoerd. Voor de herstelde Quint werd een nieuw porseleinen plaatje aangebracht, ook de pedaalkoppel (trede) kreeg nieuw naamplaatje.
* De laden werden hersteld. Aan beide zijden werden hechthout dekken aangebracht. Ventielbelering en pulpeten werden vernieuwd.
* Aan de mechanieken werd alleen noodzakelijk herstelwerk verricht.
* De balg is in de kerk nagezien, en waar nodig van nieuwe belering voorzien.
* Het pijpwerk is hersteld. Een nieuwe Quint 3 voet is aangebracht op het Hoofdmanuaal. Voor de klankgeving met naar Van Dams gebruiken sterk varierende sterkte- verhoudingen per octaaf heeft men zich georiënteerd op andere Van Damorgels uit de bouwtijd.
* Op het bovenwerk zijn de verschuivingen van 1962 en de daarbij aangebrachte expressons en zijbaarden weer ongedaan gemaakt.

Het front

Tijdens de restauratie is eigenlijk steeds meer duidelijk geworden, dat het front en de kast niet uit 1869 kunnen dateren. Van meet af aan was het front verdacht door een indeling, die verder bij Van Dam niet voorkomt. Het kan worden omschreven als het bekende zevendelige type, waaraan naast de zijtorens de zijvelden van het vijfdelige type met middenveld zijn toegevoegd. Maar bij een zo grote productie als die Van Dam zou een variant toch mogelijk moeten zijn. Op zichzelf beschouwd kon hieruit niet worden afgeleid dat er iets meer aan de hand was.[plaatje=orgel2 onderschrift="Nogmaals het orgel in de huidige staat." breedte=60% uitlijnen=rechts]Gaandeweg zijn de twijfels groter geworden en zijn meer aanwijzingen aangetroffen die pleiten voor de stelling dat het front in de huidige gedaante en de kast in de huidige grootte uit 1877 dateren. In de eerste plaats blijkt uit de afbeeldingen van de in 1876 afgebroken kerk dat een front van deze afmetingen eenvoudigweg in die kerk niet geplaatst kon worden. Ook moet het zeer onwaarschijnlijk worden geacht dat Van Dam een kas zó van gereserveerde ruimte zou hebben voorzien. Laden en mechanieken van Hoofdmanuaal en bovenwerk nemen immers net iets meer dan de helft van de binnenruimte in beslag. Ook de frontpijpen gaven aanwijzingen die tot twijfels leiden. De indeling is onlogisch, er komen veel tegenstrijdige toonhoogte-inscripties voor, en de aansluiting tussen frontpijpen en binnenpijpen is curieus: voor e¹-g¹ zijn vier oudere pijpjes op een toegevoegd pijpstokje geplaatst, drie ervan zijn oude frontpijpen, werk van Van Gruisen of Hillebrand. Vanaf gis' staan de pijpen dan gewoon op de lade in een verder onveranderd rooster. Opvallend is voorts dat de frontpijpen een zeer grote overlengte bezitten. Ze zijn ook al om die reden afwijkend van de vaste patronen binnen het werk van Van Dam.

Tenslotte bezit de kas niet het bij Van Dam gebruikelijke zware grondframe met fraai gebogen hoekverbindingen. Gezien het feit, dat in 1889 Kruse als orgelmaker voor het onderhoud wordt aangetroffen, lijkt het aannemelijk, dat Willem Hardorff de maker van kas en front is geweest. Of daarbij delen van het oorspronkelijke front gebruikt zijn is vooralsnog moeilijk vast te stellen. De vleugels met het motief van de hoorn des overvloeds zijn een zeer kenmerkend element bij de fronten van Hardorff. Ze komen bij Van Dam zelden voor, maar wèl exact in 1869 bij het orgel in de.-Lutherse Kerk te Leeuwarden.

De dispositie luidt

Hoofdmanuaal (I), c-g³

Prestant 8 vt c-dis¹ front, uitgezonderd Fs en H;
Vanaf e¹ binnen
Bourdon 16 vt C-gº eiken, afgevoerd, rest op de lade
Holpijp 8 vt C-G eiken, afgevoerd, rest lade
Octaaf 4 vt C-fº expressions, rest op lengte
Quint 3 vt C-H expressions, rest op lengte, pijpwerk 1988
Octaaf 2 vt C-F expressions, rest op lengte
Fluit d’amour 4 vt gedekt, hoogste 12 open
Cornet disc. 3 st c¹ = 2²/3- 2 – 1³/5 vt
Trompet Bas en disc. 8 vt mahonie stevels, koppen mahonie, C-fº
kop en keel uit één stuk mahonie, rest
messing kelen


Bovenwerk (II), C-f³

Salicionaal 8 vt C-E gecombineerd met Roerfluit, F-A
front, rechter zijtoren, B en H binnen,
afgevoerd, vanaf cº op lade
Viola di Gamba 8 vt C-H gecombineerd met Roerfluit, vanaf
cº tin, alles met expressions en grote
zijbaarden
Roerfluit 8 vt C-G eiken, afgevoerd, rest op de lade
Fluit Travers 4 vt C-eº gedekt, fº open, cilindrisch
Gemshoorn 2 vt conisch
Klarinet 8 vt stevels mahonie; koppen en kelen uit
eén stuk mahonie; messing plaat met
doorslaande tong

Pedaal, C-d¹

Subbas 16 vt grenen, gevernist, eiken voorgeslagen
Violon 8 vt C-hº zink, c¹-d¹ metaal; alles rolbaar-
den en expressions
Octaaf 4 vt C-H zink, rest metaal, alles met expres-
Sions
Klvierkoppel
Pedaalkoppel
Tremulant
Ventiel

Oorspronkelijk waren Afsluitingen voor Bovenwerk en Hoofdma-
Nuaal aanwezig, deze zijn kennelijk door Bakker en Timmenga verwijderd.

beschrijving

De klaviatuur bevindt zich aan de rechter zijkant. Klavieren 1869, gebogen ebben bakstukken, registerknoppen 1869, Porseleinen plaatjes 1910, knoppen Pedaal 1925. Pedaalklavier 1925,orgelbank 1925. Windvoorziening waarschijnlijk 1869, magazijnbalg in een aparte balgenkas achter het orgel. Die opzet past duidelijk in het Van DaM-beeld van de jaren 60. Windkanalen voor de manualen eveneens 1869, vrij plat. De winddruk is 66 mm. De lade voor het Hoofdmanuaal is chromatisch ingedeeld: ƒº…g³ e°… C.
Lade bovenwerk in hele tonen: ƒs³…C Cs …g³. De lade voor het pedaal is uit 1925, mooi gemaakte sleeplade, cancelvolorde van front naar achteren: c° C cs° CS… H c¹ cs¹ d¹.
Onder de manuaalladen eiken walsramen. Walsramen aan de onderkant van palmhout, aan de bovenkant van ijzer. De winkelbalken zijn van mahonie. Voor het Pedaal een koppelwalsbord onder de klavieren en een walsbord onder de lade, beide van grenen, beide 1925.

Kenmerken

Het orgel draagt de kenmerken van het Van Dam-werk uit de jaren 60: een zeer pikant, ijl en snijdend klinkend prestantenkoor, sterk met traditie verweven, maar door de strakheid ook duidelijk van een eigen 19de- eeuwse identiteit. De tongwerken zijn beide fraai, en mengen mooi met de overige registers. De fluiten bezitten vooral op het Hoofdmanuaal nog een klassieke elegantie, op het Bovenmanuaal door de strakkere toon meer 19de-eeuws karakter.

Deze link brengt u naar een andere website met informatie over:

 Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Jutrijp-Hommerts

 

De geschiedenis in kort bestek van de kerken in de dorpen Jutrijp en Hommerts vanaf de Reformatie tot en met de vorming van de Protestantse gemeente Jutrijp-Hommerts in 2006.


Van Reformatie naar Protestantse Gemeente Jutrijp-Hommerts 1580 – 2006.

 

Van de periode voor de Reformatie is weinig meer bekend dan dat er in de dorpen Jutrijp en Hommerts kerkgebouwen en kerkelijke bezittingen waren en pastoors werkzaam zijn geweest, waarvan er enkele met naam worden genoemd.

Op het moment dat men in Friesland in 1580 met de Reformatie meeging en de Roomse eredienst verboden werd waren er voor zover bekend geen pastoors in actieve dienst aanwezig en beide parochies vacant. Er bestond direct na de Reformatie een groot tekort aan predikanten en toen men schijnbaar ook niet veel haast maakte hierin te voorzien, werden ze door Gedeputeerde Staten op de vingers getikt en werd hun opgedragen om zo vlug mogelijk een predikant te beroepen. Wanneer er echter geen mogelijk was om als zelfstandige gemeente hierin te voorzien dan moest men desnoods maar met een ander dorp een combinatie aangaan en gezamenlijk een predikant gaan beroepen. Men heeft hieraan gevolg gegeven, en de dorpen Jutrijp en Hommerts hebben toen in combinatie een predikant beroepen, zodat vanaf die tijd de predikantsplaats Jutrijp c.s. is ontstaan met de pastorie in Jutrijp. De dorpen Jutrijp en Hommerts behielden daarbij hun eigen kerkvoogdijen met de daaraan gekoppelde bevoegdheden, de kerkdiensten werden beurtelings in Jutrijp en Hommerts gehouden.

Gedurende de periode van de Reformatie tot aan de 19e eeuw is behalve de aan de predikantsplaats verbonden voorgangers en bouwactiviteiten weinig bekend. In 1741 werd in Hommerts een nieuwe kerk gebouwd en in de toren van de Jutrijper kerk werd een nieuwe klok aangebracht in 1772. In de 19e eeuw ontstond er echter veel onvrede en strijd in de kerk met betrekking tot de zeggenschap van de overheid, de wetten van koning Willem I aan de kerken opgelegd en tegen de nogal vrijzinnige Synode die vrij tolerant was voor wat betreft de handhaving van de kerkorde en prediking van de rechte leer. Ook de hier vanaf 1828 aan de gemeente verbonden predikant ds. Fockens van de z.g.n. Groninger richting moest niet veel van de oude kerkorde hebben, wat tot gevolg had dat een kleine groep gemeenteleden met de afscheiding van 1836 meegingen en kerkten bij de Christelijk Gereformeerde kerk in Sneek. Naarmate het aantal groter werd hebben ze in Hommerts een woning gekocht en ingericht als pastorie nu [nu Jeltewei 102]en in 1888 werd een kerkje gebouwd [nu Jeltewei 15 en 17].

 

Toen in 1889 ds. H. Dijkstra beroepen werd en dit aannam was de Chr. Gereformeerde kerk ter plaatse een feit. De dominees van het z.g.n. Reveil van 1850 hadden veel invloed in de Zuid-Westhoek van Friesland met als gevolg dat veel gemeenteleden van Jutrijp-Hommerts elders kerkten in plaats van bij ds. Fockens in de eigen gemeente. De juiste verkondiging, de organisatie en de machtspositie van derden in de kerk heeft veel strijd tot gevolg gehad. Mede door het Reveil kwam steeds meer de kwestie aan de orde van de bevoegdheden met betrekking tot het beroepen van een predikant en het beheer van de kerkelijke goederen. Dit was voorbehouden aan de kerkvoogden gekozen uit en door de floreenplichtigen [de belastingbetalers]. Uiteindelijk nam de Synode in 1869 het besluit dat het beroepen van een predikant en het beheer van de kerkelijke goederen door het college van kerkvoogdijen van de floreenplichtigen overgedragen moest worden aan het college van kerkvoogden gekozen uit en door de lidmaten van de kerkelijke gemeente ter plaatse. Dit had echter tot gevolg dat vooraf en daarna een jarenlange strijd en procesvoering ontstond o.a. bekend als het proces van Oosterend uit 1867, om deze wijziging niet toe te staan. [in 1869 werd dit z.g.n. collatierecht officieel opgeheven] Deze situatie heeft tot gevolg gehad dat toen in 1876 ds. Fockens met emeritaat ging en de kerkenraad in 1877 een beroep wilde uitbrengen, de kerkvoogdij van Hommerts hiermee instemde maar de kerkvoogdij van Jutrijp niet omdat men eerst het proces wou afwachten en dus ook de pastorie niet beschikbaar stelde. Uiteindelijk kwam men overeen dat er een huis in Hommerts tot pastorie verbouwd zou worden en ook voor de kostenverdeling hiervan en de traktementsverdeling tussen de beide kerkvoogdijen werd een afspraak gemaakt met dien verstande dat de bijdrage van de kerkvoogdij van Jutrijp alleen betaald zou worden als het proces verloren werd. Dit proces werd uiteindelijk door de kerkvoogdijen van de floreenplichtigen verloren,zodat in 1880 en 1881 respectievelijk van de kerkvoogdijen Hommerts en Jutrijp de overdracht plaats vond naar de kerkvoogdijen van de uit en door de lidmaten gekozen colleges.

 

 

 

Gedurende al die jaren waren veel bouwactiviteiten doorgegaan. In 1818/1819 is de kerk van Jutrijp afgebroken en een nieuwe gebouwd.

 

 

 

 

• In 1823 werd de toren van de Hommerts vernieuwd.
• Op 5 Februari 1826 werd aanbesteed de bouw van een nieuwe pastorie te Jutrijp.
• Op 11 September 1836 werd het nieuwe orgel gebouwd door W. van Cruisen van Leeuwarden ingewijd in de kerk van Jutrijp.
• In 1843 wordt melding gemaakt van de verkoop door de kerkvoogdij van Jutrijp van de afbraak van de zadeldaktoren en de bestaande school, benevens het weer opbouwen van een nieuwe school met onderwijzerswoning en een scherpe toren.
• Op 27 December 1869 wordt het nieuwe orgel vervaardigd door L. van Dam van Leeuwarden, ingewijd door ds. Fockens in de kerk van Hommerts.
• Op 29 Juli 1875 wordt aanbesteed de bouw van een nieuwe kerk met toren te Hommerts ten zuiden van de bestaande en meer oostelijk gesitueerd, welke op 2 Februari 1877 wordt ingewijd.

 

Het orgel uit de later afgebroken kerk wordt overgebracht en geplaatst in een nieuwe orgelkast met frontwerk. Ook de begraafplaats werd uitgebreid.

 

Op 4 November 1877 deed ds. Moeton van Ophemert zijn intrede en werd gehuisvest in het tot pastorie verbouwde huis te Hommerts en heeft tot aan zijn vertrek in 1885 veel opbouwend werk verricht. De kerkenraad besloot toen weer een predikant te beroepen die de 3 formulieren van enigheid ondertekende maar de al jaren bestaande onvrede ten aanzien van de Synode bleef bestaan, wat ook duidelijk werd gemaakt door middel van een protestbrief van de kerkenraad die men indertijd naar de Synode stuurde. Maar in de loop der jaren ontstonden er zo langzamerhand steeds meer mensen die wilden dat men zou breken met de Synode. Maar omdat de kerkenraad besloot vooralsnog niet de Synodale organisatie af te werpen, ontstond er tweespalt in de gemeente met als gevolg dat een vrij grote groep gemeenteleden met de z.g.n. doleantie van dr. A. Kuiper meegingen met als resultaat dat in 1888 een Ned. Gereformeerde kerk ter plaatse werd gesticht. De kerkdiensten werden eerst in een hooiberg gehouden en later door aankoop van een stuk grond werd een kerk gebouwd [nu Jeltewei 150] nadat het overleg met de Chr. Gereformeerde kerk om gezamenlijk hun kerkgebouw te gebruiken niet doorging.

 

In 1892 kwam er landelijk en plaatselijk een fusie tot stand, waardoor de Gereformeerde kerk te Jutrijp-Hommerts ontstond. De gemeente kwam toen samen in het gebouw van de Gereformeerde kerk omdat dat de grootste was en die van de Chr. Gereformeerden [nu Jeltewei 15 en 17] werd ingericht als vergaderruimte en voor de catechisaties. De tweespalt in de gemeente had ook tot gevolg dat veel leden van de Hervormde gemeente hun kinderen niet meer naar de C.N.S wilden sturen omdat het hoofd met de dolerenden meeging en gereformeerd werd. Uit de kerkfondsen werd de herberg van Struikmans gekocht en ingericht als hervormde school [nu Jeltewei 94]. Toen in 1925 een nieuwe school gesticht werd door de vereniging van Christelijk Volks Onderwijs werd dit pand ingericht als verenigingsgebouw.

 

Deze kerk stond vroeger in Jutrijp.

 

In 1910 wordt door de kerkvoogdij van Jutrijp een nieuwe kerk gebouwd vanwege het feit dat de oude die op het kerkhof stond te klein was. De nieuwe kerk werd gebouwd op de plaats van de pastorie ten Westen van de straatweg die daarvoor werd afgebroken. [nu Riperwei 28 A t/m D] De noodzaak van een nieuwe kerk werd niet algemeen gedeeld maar werd met 4 tegen 3 stemmen aangenomen. Een nieuw orgel werd geplaatst door A. Timminga van Leeuwarden, het oude werd verkocht aan de Gereformeerde kerk van IJlst.

 

De Hervormde gemeente van Jutrijp-Hommerts kwam in 1923 in conflict met de Raad van Beheer van de predikantstractementen omdat men weigerde de door deze raad opgelegde omslag te betalen. Men was van mening dat de Synode niet het recht had zich met de traktementen van de predikanten te bemoeien maar dat dit voorbehouden was aan de kerkvoogdijen van de gemeente. De kerkvoogdijen werden daarbij lid van de vereniging van protesterende kerkvoogdijen. Dit hield echter wel in dat toen men in 1923 vacant werd, het beroepen van een predikant geblokkeerd werd In 1929 werd door de kerkvoogdij van Jutrijp een nieuw verenigingslokaal gebouwd en in 1931 een nieuwe school.

 

 

De voormalig gereformeerde kerk

 

De Gereformeerde kerk werd in 1916 iets uitgebreid en een nieuw orgel geplaatst. In 1934 wordt door de Hervormde kerkvoogdijen een overeenkomst gesloten met de Raad van Beheer van de predikantstraktementen over de periode van 1922 tot en met 1933, om de achterstallige omslag te betalen waarbij in mindering werd gebracht een korting, een gedeeltelijke ontheffing en de betaalde emeritaat gelden. Vanaf 1934 is dan de situatie weer normaal en kan er weer een beroep worden uitgebracht met als resultaat dat na een periode van 12 jaar vacant zijn de predikantsplaats weer bezet is.

 

Het interieur van de voormalige gereformeerde kerk

 

In 1950 wordt de oude Gereformeerde pastorie verkocht en een ander huis gekocht dat als de nieuwe pastorie wordt ingericht [nu Jeltewei 110]. In 1951 werd de Gereformeerde kerk verbouwd en de kerkdiensten gehouden in de Hervormde kerk. De verhoudingen zijn tijdens de oorlog en de daarna volgende jaren wat in een ander kader geplaatst mede ook door de door de Hervormde Synode aangenomen en vastgestelde nieuwe kerkorde 1951 waardoor de verschillen met betrekking tot organisatie en kerkopvatting kleiner werden. Deze nieuwe kerkorde is echter ook weer vele jaren onderwerp van discussie ook in onze gemeente in verband met de positie van de kerkvoogden en de notabelen in de kerk en het toezicht op het beheer. Hierin wilde men niet meegaan en ook de aandrang vanuit de gemeente om te komen tot 1 kerkvoogdij werd afgewezen ,wel werd het vrouwenkiesrecht ingevoerd in 1958 [Gereformeerde kerk in 1954.]. In 1960/1961 is de oude Hervormde pastorie afgebroken en vervangen door een nieuwe.

 

Oude hervormde pastorie

 

Eind van de jaren 50 beginnen de tekorten een steeds grotere rol te spelen en begint te financiële positie steeds nijpender te worden omdat de inkomsten geen gelijke tred houden met de steeds toenemende kosten en de verplichte afdrachten aan de boven plaatselijke organen. Het gevolg hiervan is dat de Gereformeerde kerk in 1964 ingedeeld wordt bij de hulp behoevende gemeenten en in 1967 een combinatie met de Gereformeerde kerk van Woudsend moet aangaan. Ook in de Hervormde gemeente worden de tekorten steeds groter mede door het krimpend zielental en de achterblijvende rendementen van de bezittingen ten opzichte van de steeds sterker toenemende prijsontwikkeling en verplichte afdrachten aan de landelijke kerkelijke organen. De voorstellen in 1963 om te komen tot 1 kerkvoogdij, 1 kerk, 1 lokaal en 1 koster waren toen nog steeds niet haalbaar ondanks de steeds oplopende tekorten van de kerkelijke huishouding. Maar de roep vanuit de gemeente om te bezuinigen en sanering van de onrendabele geldkostende delen werd steeds groter en het was zo langzamerhand wel duidelijk dat instandhouding van 2 kerkgebouwen en 2 verenigingsgebouwen met kosterswoning in de toekomst niet meer haalbaar was.

 

In 1967 werd het besluit genomen om over te gaan tot fusie van de kerkvoogdijen van Jutrijp en Hommerts tot een kerkvoogdij van de gemeente Jutrijp-Hommerts en aanpassing aan de kerkorde van 1951 met ingang van 1 Januari 1968, maar wel met instandhouding van de notabelen. Het toenmalige nieuwe college van ouderling- kerkvoogden samengesteld uit vertegenwoordigers van de oorspronkelijk zelfstandige kerkvoogdijen werd belast met een omvangrijk bezuinigings-en-sanerings opdracht. Besloten werd in verband met de grote onderhoudskosten van beide kerkgebouwen de kerk van Jutrijp te sluiten en die van Hommerts te renoveren en de banken van de Jutrijper kerk over te brengen naar de kerk van Hommerts vanwege de betere zithouding. De kerk werd voor afbraak verkocht aan de gemeente Wymbritseradiel.

 

In de periode 1970 tot en met 1974 werd naast de sluiting van de Jutrijper kerk diverse onrendabele woningen en bedrijfsgebouwen afgestoten en de beide begraafplaatsen kostendekkend gemaakt. Door mee te werken aan de totstandkoming van het dorpshuis in 1973 en de daarvoor benodigde grond door de kerkvoogdij als inbreng gratis beschikbaar te stellen konden ook de 2 sterk verouderde verenigingslokalen met kosterswoning worden afgestoten en verkocht. Het mag duidelijk zijn dat deze ingrijpende sanering de gemeente niet onberoerd heeft gelaten ondanks de unanieme besluitvorming, maar heeft er wel toe geleid dat het resulteerde in een financieel sterke gemeente, vrij van schulden en sterk verbeterde rendementen van de door verkopen verkregen belegde gelden. De Gereformeerde kerk bouwde in die tijd een vergaderlokaal achter het kerkgebouw zodat het verouderde lokaal met woning verkocht kon worden.

 

In 1984 werd de kerktoren van de Hommertser kerk door blikseminslag getroffen en moest totaal worden vernieuwd, in 1988 vond een totale revisie van het kerkorgel plaats. Gedurende de volgende jaren werden de contacten en de gezamenlijke diensten veelvuldiger en toen in 1986 de combinatie van de Gereformeerde kerken van Jutrijp-Hommerts en Woudsend beëindigd werd trad een nieuwe fase in.

 

De Johannes de Doperkerk

 

De landelijke ontwikkelingen vanuit de jaren 60, waarbij de Nederlands Hervormde kerk en de Gereformeerde kerken in Nederland streefden naar hereniging heeft ongetwijfeld ondersteunend gewerkt. Begin 1987 werd door de gezamenlijke kerkenraden de wens uitgesproken om als kerken van Jutrijp en Hommerts samen op weg verder te gaan, er werd een commissie van 4 ingesteld die met concrete voorstellen kwam om een zo verantwoord mogelijke weg te gaan. In de daarop volgende gemeenteavond werden de voorstellen aangenomen, waarbij de Hervormde gemeente en de Gereformeerde kerk wel apart bleven, maar er werd besloten dat alle dingen die gezamenlijk gedaan konden worden ook samen te doen. De kerkenraadvergaderingen zijn gezamenlijk en het streven is te komen tot 1 predikant, eventueel aangevuld met een pastoraal medewerker. De toenmalige Hervormde predikant werd daarbij consulent van de Gereformeerde kerk en in goed overleg. Met de officiële consulent van de Gereformeerde kerk moesten de activiteiten plaats vinden. In de daarop volgende jaren kwam een concept tot stand voor de vorming van een federatief verband en in 1990 werd besloten tot de vorming van een federatief verband van de Hervormde gemeente en Gereformeerde kerk Jutrijp-Hommerts met ingang van 1 Januari 1991. De federatie had een gezamenlijke kerkenraad met 1 predikant en de kosten van het pastoraat, de eredienst de beide kerkgebouwen en de pastorie, werden op basis van het aantal lidmaten en doopleden door de gemeenten gedragen met uitzondering van kerkelijke bezittingen die voor rekening van de eigen gemeente en kerk bleven.

 

Vanaf 1 Januari 1998 werden de beide beheerscolleges omgevormd tot één college van kerkrentmeesters en werd een gezamenlijke exploitatierekening gevoerd met uitzondering van de kerkelijke bezittingen. Er werd vanaf die tijd dus al gewerkt op een manier als was men al gefuseerd een bewijs dat men duidelijk voor lag op de landelijke ontwikkelingen n.l. een gemeente met kerkrentmeesters. Per 2001 werd de Gereformeerde kerk buiten gebruik gesteld en verkocht. Met ingang van 1 Januari 2004 ontstond de naam Protestantse gemeente in wording wat inmiddels per 31 Augustus 2006 notarieel bekrachtigd werd tot de Protestantse gemeente Jutrijp-Hommerts.

 

 Interieur van de Johannes de Doperkerk

Samengesteld door :A. Tiemersma, Sinnewar 26, 4 September 2006

 

Geschiedenis van Jutrijp en Hommerts overgenomen uit: De Historie gaat door het eigen dorp van A. Algra

Jutrijp en Hommerts


Wie het kaartje bekijkt van de toestand, zoals die enkele eeuwen geleden was, moet tot de conclusie komen, dat in die tijd Jutrijp en Hommerts vrijwat geïsoleerd lagen. Er was geen enkele verbinding te land met Sneek of met een van de naburige dorpen. Slechts een “moderreed”lip er van Hommerts tot aan de Zandige Sloot, doch zelfs tussen de beide dorpen onderling was geen weg. Alle verkeer moest dus met een bootje of praam geschieden. Eén rij van boerderijen en huizen was gebouwd langs een brede, maar ondiepe vaart, die de Tegenwoordige Staat met een moerige (venige) vaart betitelt. Van deze dorpsvaart lipen verschillende verbindingen naar de beide Wymertsen. In de winter stond een groot deel van het land onder water. Wie het prachtige kaartenboek bij “Binnendiken Yn Fryslân”bekijkt, zoekt hier tevergeefs een hem, zoals de Skerhim, Riperahim en het land onder Abbega en Heeg. De heer O. Santema neemt echter op goede gronden aan, dat er wèl een soort “hem”is geweest, waarin J. en H. lagen. In het kalendarium, waarover nog nader, zijn sporen die wijzen op maatregelen tegen overstroming. De heren Rients en Walther achten in het zo pas genoemde werk bedijking ook niet onmogelijk. Eerst door de oprichting van het grote waterschap Hommerts-Sneek is een oppervlakte van 2642 ha beschermd tegen het water en Jutrijp heeft zelf een pompstation, waarvan de hoge schoorsteen aan een zuivelfabriek doet denken. Bvendien is er een elektrisch gemaal. De grote verbetering van het verkeer kwam met de aanleg van de straatweg van Sneek naar Lemmer, die in 1844 gereed kwam, terwijl in 1846 de kunstweg naar Heeg werd aangelegd. Toen hadden deze drie dorpen een prima verbinding met Sneek en konden paard en wagen in vele gevallen de praam en snikke vervangen.


Toch heeft Hommerts in oude tijden zijn “kasteel”gehad. Ik plaats het woord maar tussen aanhalingstekens, want of het een grote en sterke stins geweest is, weet ik niet. Hij is zeker al een drie eeuwen geleden afgebroken en door een boerderij vervangen. In een beschrijving van 1723 toch wordt al van een voormalige stins gesproken. Ik zal dus niet zo ver mis zijn, als ik schat, dat Hettinga 300 jaar geleden is verbouwd tot een gewone boerderij. In de 15de eeuw woonde dit geslacht reeds in Hommerts, want in een oud kalendarium, verzorgd door geestelijken van Hommerts, in het bezit van het Fries Genootschap en besproken en gedeeltelijk vertaald door Van Borssum Waalkens, treffen we aan, dat in 1669 de grote klok, Johannes Baptista (de Doper) genaamd, in overleg met de kerkvoogden Epo Hettingha en Sufridus Gossma werd geplaatst en gewijd, waarbij als getuigen optraden de pastoor van Jutrijp en Jella, de vrouw van Hettinga, en haar dochter Ghele, Ook de dochter van Suffridus Peersma,Jelet, trad als getuige op. De pastoor Galo verrichte de plechtigheid. Omstreeks 1500 was er een Homme Hettinga, want in 1505 legateerde zijn vrouw aan de kerk zes gulden jaarlijks, te betalen uit Langwerlanda in Bauckaschar. In het kalendarium worden verscheidene van deze schenkingen vermeld, vaak in de vorm van brood en boter, wat dan betaald moest worden uit de goederen, die de erflater aan zijn familie naliet. De bijvoeging “tot een eeuwige memorie”staat er meestal bij. Van de Hettinga-familie worden ook in de 16de eeuw eenDoeke Titesz, en een Benedictus genoemd. Iets meer weten we van Titus Hettinga. Hij heeft zijn rol gespeeld in onze 80-jarige oorlog. In 1567 moest hij voor Alva’s wraak vluchten, maar hij nam nu dienst onder het vaandel van willem van Oranje. Op zijn grafsteen, die in de oude kerk lag, stond in het Latijn een kort overzicht van zijn leven.

 

Van der Aa vertaalde het aldus:
Hier ligt Titus Hettinga, die door dapperheid door niemand werd overtroffen. De Hollanders kennen zijn dappere daden. Uit het vaderland vluchtende , volgde hij de Prins van Oranje, als een hevig vijand van de Spanjaarden. Eindelijk als overwinnaar tot zijn kinderen teruggekeerd, maar zijn vrouw gestorven vindende, heeft een onverwachte dood ook hem onverhoeds weggenomen.
In 1578 was de toestand in Friesland veranderd. De Pacificatie van Gent was de oorzaak, dat aan het bewind van Caspar de Robles een einde kwam en de ballingen konden terugkeren. Titus Hettinga vond echter zijn vrouw na een afwezigheid van zeker 11 jaar niet meer in het land der levenden. Van zijn kinderen is me verder niets bekend. Wel zijn er waarschijnlijk nog nakomelinge uit deze familie, nl. van Tiete Waltes v. Hettinga te Teroele, grietman van Doniawerstal in 1577. De stins stond, waar tegenwoordig de weg naar Heeg begint (in de hoek aan de noordkant van de Heger weg). In de late Middeleeuwen speelde de stins een belangrijke rol bij de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers.

 


Een ander belangrijk geslacht zijn de Scheltinga’s geweest, die ook nogal eens in het kalendarium worden genoemd en welke familie door Van Borssum Waalkes wordt beschreven in het artikel over het kalendarium. In de jaren van de omwenteling (1795) deelden de kerkvoogden van Hommerts nog mee, dat in de kerk een grote zerk lag op het graf van Minne Takes Scheltinga (overleden 1593). De bedoeling zal wel geweest zijn, dat deze moest worden verwijderd, of van de “versieringen” ontdaan, zoals dat in de dagen van vrijheid, gelijkheid en broederschap herhaaldelijk voorkwam. Ik wees er reeds op, dat het lage land tussen de beide Wymertsen onbeschermd lag en in de oude kronieken en ook in het kaledarium wordt dan ook herhaaldelijk gewag gemaakt van watervloeden. Zo in 1428, toen het zeewater “helaas om de zonden der bewoners over het ganse land werd uitgegoten”. Zeer veel koeien verdronken en de pastoor van Hommerts stelde een teken, om aan te geven, hoe hoog het water wel gestegen was. Dat teken werd geplaatst ïn het bos” van de pastoor. In 1562 was het al weer mis. Toen regende het op sommige plaatsen net als ten dage van de zondvloed 40 dagen achtereen “met grote kracht van water en wind”. De landvruchten bedierven, vele beesten verdronken en er kwam groot gebrek aan hooi en veevoer. Zo werden in Jutrijp drie koeien voor negen goudstukken verkocht, die anders 12 of 13 per stuk zouden hebben opgebracht. Dit zijn maar een paar voorbeelden, maar wij kunnen er wel uit opmaken, dat de boeren van Jutrijp en Hommerts thans een heel wat geruster leven hebben dan hun voorouders.


Er is heel wat gebouwd in de beide dorpen en dat geldt vooral van de kerken. Dat zal mee het geval geweest zijn, doordat de kerken, vooral die van Jutrijp, gezegend waren met aardse goederen. Oorspronkelijk hadden in beide dorpen de kerken een stompe toren, maar die moest natuurlijk naar de eis des tijds _ in een spitse worden veranderd. In 1819 werd een nieuwe kerk te Jutrijp gebouwd. Een gedenksteen vermelde de eerste steenlegging:

 


In Juny 1819 is de eerste steen gelegd door Bernard Walraad van Welderen Baron Rengers, toen kerkvoogden waren Meye Sjoerds van Dijk en Jelle Sjirks Cnossen. (de Cnossens woonden al in 1622 te Hommerts. Het is in dit een bekend geslacht geweest).
De zadeldaktoren bleef echter nog staan, hoog 20 ellen en 4 palm. Maar in 8143 besteedden de kerkvoogden aan de bouw van een nieuwe school, een onderwijzerswoning en een toren. En zo verdween de stompe toren uit het dorpsbeeld. In 1826 was er tevens een nieuwe pastorie gebouwd, terwijl in 1836 een fraai orgel werd aangeschaft. Wie dus nagaat, wat er tussen 1819 en 1843 al zo plaats vond, die moet wel tot de conclusie komen, dat de kerkvoogden goed bij kas waren. Opmerkelijk is b.v. dat in dezelfde tijd het bouwen van een nieuwe toren te Hommerts door de grietnij wordt aanbesteed, maar in Jutrijp deden de kerkvoogden het zelf. De torenbouw had plaats in 1844 en op de plaats stond volgens Hepkema:

 


18-5-6-44 (5 juni 1844). Deze is gelegd door den Grietman in hoogsteigen persoon, gekleed als metselaar met “wyt baeitsje en seibokse”. Doch zich bedienend van echt “sulverark”. In 1866 legde ds. Fockens nog de eerste steen van een kosterij en zo zat Jutrijp wel goed in zijn kerkelijke gebouwen, want ook de school was zoals dat vaak gewoonte was, eigendom van de kerkvoogdij en niet van de burgelijke gemeente. In 1910 echter kreeg Jutrijp al weer een nieuwe kerk, nu aan de andere kant van de weg. De plaats waar de öude”gestaan heeft, is nog te zien, doordat het kerkhof aan de oostzijde gebleven is. Deze nieuwe kerk, waarvan de eerste steen gelegd werd onder leiding van de predikant ds. L. J. van Apeldoorn en de kerkvoogden H. Tj. Huitema, J.G. van der Molen en M. D. Zandstra, is een modern en keurig gebouw. Trouwens, ook de vroegere godshuizen van Jutrijp worden geroemd. In de 18de eeuw wordt van de kerk gezegd (dat was dus de voorvorige), dat zij zeer net was en dat er veel mooi snijwerk in voorkwam. In de kerk waren oorspronkelijk antieke koperen kronen, die echter in de vorige eeuw zijn verkocht aan Amsterdammers, die veel belangstelling hadden voor het prachtige kunstwerk. Natuurlijk ging er later een verhaal, dat een bepaald onderdeel van zuiver goud geweest was en dat daarom de Amsterdammers zo gebrand waren op deze kronen. Maar we zullen dit vehaal maar voor fantasie houden, net zo goed, als wat in een leesboekje vermeld staat, dat een Jutrijper graaf Willem 1V bij Warns heeft doodgeslagen. Wij kunnen hun niet best van alles aanwrijven.

 


En nu Hommerts. Daar werd in 1740 een nieuwe kerk gebouwd, die versierd was met prachtige glazen. Deze zijn echter in het revolutiejaar 1795 gesneuveld. Tot 1821 stond bij de kerk nog de stompe toren, maar in dit jaar werd hij afgebroken. Er kwam een portaal voor in de plaats, waarop een houten spits werd gebouwd. Of dit dezelfde is als de toren, die in 1823 werd aanbesteed door de grietenij, weet ik niet, maar ik veronderstel van wel. Het doet echter niet veel terzake, want ook Hommerts ging in de 19de eeuw nog eens bouwen. In 1875 werden de tegenwoordige kerk en toren aanbesteed en in 1877 kon het gebouw worden ïngewijd”. Zo heeft ook dit dorp na 1700 al zijn derde kerk, wat een zeldzaamheid zal zijn in de Friese dorpen. Ook in Hommerts bouwden kerkvoogden een nieuwe school en wel in 1852. Als we deze bouwwerken zo nagaan, blijkt hieruit wel dat aannemers, timmerlieden, metselaars en schilders in beide dorpen nog al eens een karweitje hadden. Op de kerk van Hommerts staat de bede van 2 Kronieken 6 : 40 en in het portaal van die van Jutrijp wordt als fundament van Gods gemeente 2 Timotheus 2 : 19 aangeven.
Ik heb al eens eerder opgemerkt, dat in de roomse tijd de geestelijke verzorging numeriek heel wat beter was dan daarna. Dat geld ook voor Hommerts en Jutrijp. Beide dorpen zijn na de Hervorming steeds gecombineerd geweest wat de Dienst des Woords betreft, maar in de 15de eeuw had Jutrijp alleen al twee geestelijken: een pastoor en een vicaris, terwijl er ook te Hommerts minstens twee geestelijke woonden. Van sommigen hunner zijn ons de namen bewaard, waar deze namen alleen zeggen ons niet veel, zodat ik de lezer er niet mee zal vermoeien. Als men het kalendarium naleest, krijg men de indruk, dat de pastoors van Hommerts nog al gesteld waren op de legateringen aan de kerk en aan hen persoonlijk, want behalve overlijdensberichten en watervloeden zijn de meeste aantekeningen daaraan gewijd. Wanneer kwam de hervorming hier? Dat is natuurlijk niet precies meer na te gaan, maar ik vermoed, dat Jacobus Harlemius, die omstreeks 1560 te Hommerts voor het geestelijke welzijn van het dorpzorgde, reeds hervormingsgezind was, evenals een groot aantal andere, pastoors in die dagen. Zijn aantekeningen toch vermelden geen heiligen, maar hij getuigt alleen van Jezus Christus, Gods Zoon, b.v.: Zijt gezond tot hoge ouderdom en leef Jezus Christus, oprechte lezer! Hotze Lolckes is in het jaar 1560, in de leeftijd van 42 jaren, in vast vertrouwen op den Heer Jezus Christus, Gods Zoon, uit deze tijd verhuisd.

 


Omstreeks 1578 zal ook hier de definitieve verandering op kerkelijk gebied plaats gehad hebben. Opmerkelijk is één der laatste aantekeningen over Hommerts. In 1578 stierf Heer Seerp en als Catholiek, een zoon van Merck Gosseszoon, wiens ziel in vrede ruste, bid ik. Mogen we hieruit opmaken, dat de laatste pastoor het al vermeldenswaard achte, dat de zoon van Merck nog trouw gebleven was aan het oude geloof?
Er moest natuurlijk na de kerkelijke omwenteling, die in 1580 definitief was geworden, een dominee komen. Nu heb ik er al meermalen op gewezen, dat het in de eerste jaren heel moeilijk was, om een predikant te vinden. Er was in die tijd wel overvloed van werk, maar niet van werkkrachten. Maar er was ook wel eens wat traagheid in het beroepen. Meer dan eens heb ik verhaald, hoe Gedeputeerde Staten soms de dorpsbewoners waarschuwden, dat zij nu eindelijk eens een dominee moesten kiezen. Anders zouden ze er een gestuurd krijgen. Prof. Van Apeldoorn wijst er op , dat in sommige dorpen de gemeente goede sier maakte van de pastoriegoederen en er een soort dorpsfestijn uit betaalde. Dat zou niet meer kunnen, als er een predikant was, die er van moest leven. En de bewoners van Jutrijp en Hommerts schijnen ook om deze reden traag geweest te zijn in het beroepen. Van Jutrijp wordt verteld, in een verslag van de grietman, dat
“ten tyde de reckeninge voer den selven gemeinte bij de administrateurs worde gedaen, nae olden ghewoente (want zy met malcanderen plegen vrolick te syn) verteert XI goudguldens IIII stuivers”.

 


Dit bedrag betekende de halve pacht van de 70 pondemaat pastorielanden.

 Gezicht op Hommerts, begin 19e eeuw

 


Uit specificaties van andere dorpen, waar hetzelfde verschijnsel voorkwam, weten wij, dat het geld besteed werd aan een ton bier, gevogelte, hammen, brood, pekelvlees, rozijnen en andre vruchten. In hetzelfde jaar 1579 waren er in Hommerts enige verschillen over de pastoriegoederen. Daar verteerde men om deze geschillen “te liquideeren ten Huyze van Jaês Walkes XVI car. guldens en II stuivers”. Een predikant, die hulpdiensten schijnt verricht te hebben, werd blij gemaakt met 2 gulden en 16 stuivers. De klachten van de grietman van Wymbritseradeel handelen ook over andere dorpen in deze grietenij. Dit, opdat niemand zich in deze streek uitnemender achte dan de andere ! Heeft het rapport van de grietman succes gehad? Men zou het zeggen, want in 1584 was er in Hommerts een dominee, die ook Jutrijp verzorgde. Aanvankelijk schijnt de predikant dus in Hommerts te hebben gewoond, zoals ook tegenwoordig, maar verreweg het grootste deel van de tijd, die sedert1584 verlopen is, had Jutrijp de eer. De eerste dominee was Joost Pieters, van wie we verder weinig weten. Soms is dat een goed teken, want van zijn opvolger Laurentius Alberti is iets meer bekend, maar dat is niet vanwege deugd. Hij werd in 1619 afgezet wegens een enorm delict, zo staat achter zijn naam in de predikantenlijst. Dat dit delict geen kleinigheid is geweest, doet het woord enorm veronderstellen en dat bleek in 1625 nog. Alberti was naar het Oldambt verhuist en daar schoolmeester geworden. In 1625 poogde hij daar na 11 dienstjaren weer het radicaal van predikant te verkrijgen. Hij had zich, zo luide het getuigenis, die elf jaar getrouw en wel gedragen. De classis, waaronder Westerlee ressorteerde, gaf toestemming, maar de synode van Groningen oordeelde anders. Zij had informaties in Friesland ingewonnen en schreef, dat de zaak, waarom hij was afgezet “soo leelijck ende grof was, dat sie nie behoort voor Christelycke ooren verhaalt te worden ende dat hij daeromme niet sonder wichtige redenen is perpetuum van het predig-ampt geremoveert.
De synode oordeelt dan ook, dat hij “daeromme met syn tegenwoordighe Conditie sall laten genoegen, den Heer getrouwelijcken daerinne met waren boetveerdichheyt synes herten dienende ende sich gerust holden, opdat de vuylicheyt ende lelickheit syner sake niet meer bekandt moege worden ende hy daarover in meerder onghemack gerake.”
De ex-dominee van Jutrijp-Hommerts is in 1636 als schoolmeester van Westerlee overleden. Zijn opvolger was Matthias Teodori Thyssen. Hij stierf in 1641 en werd in de kerk van Hommerts begraven. In de predikantenlijst wordt vermeld, dat zijn nageslacht nog in Hommerts leeft. Dat was een kleine eeuw geleden, maar bij navraag bleek me, dat niemand in de dorpen nog weet, of er thans nog nakomelingen van deze derde dominee van de beide dorpen leven. De naam Thyssen is althans onbekend. De heer R. K. Walma deelde me, nadat ik dit schreef, mee, dat een nazaat van ds. Thyssen met een Korneliske Reins van Walma-state te Folsgare huwde. De nakomelingen namen de naam Walma aan en uit dit geslacht zijn nog vele afstammelingen in Joure, Workum, Canada, Michigan e.a. Van de predikanten, die in de 17de en 18de eeuw hebben gearbeid in Jutrijp en Hommerts, noem ik er enkele. Van 1649—1678 was ds. Schultetus Everhardi hier werkzaam. In laatstgenoemd jaar overleed hij en werd in de kerk van Jutrijp begraven. We mogen hieruit misschien concluderen, dat ds. Thyssen nog in Hommerts leefde en Everhardi of zijn voorganger Antonius Petri zich in Jutrijp heeft gevestigd. Ook Georgius Duinterp is te Jutrijp overleden. Hij diende de gecombineerde gemeente van 1682—1713. Zijn opvolger was Jac. Frochet. Deze kwam in 1715 en nam in 1726 een beroep aan naar Heeg, maar hij overleed voor hij naar zijn nieuwe gemeente zou verhuizen. Drie jaar lang was er toen geen dominee, maar elke zondag kwam een “candidatus”uit Sneek preken, die daar de functie van conrector aan de Latijnse school vervulde. Ik sla weer enkele herders over, die maar korte tijd bleven en noem verder Rudolphus Rudolphi, die maar even een diensttijd van 41 jaar in Jutrijp-Hommerts heeft gemaakt. Ook hij werd in de kerk van Jutrijp begraven (1781). Anne Ypey, die van 1784—1788 de zorg voor de gemeente had, is later professor in Groningen geworden. Hij schreef vooral over de kerkgeschiedenis. Ook zijn opvolgers ds. Joh. Henricus Regenbogen verwisselde de preekstoel voor de hoogleraarscatheder. In franeker doceerde hij theologie en in leiden geschiedenis. De dominee-zoekers van die tijd hadden dus een goede neus.Anne Meiners, die van 1810—1816 hier stond, was geen sieraad voor de gemeente, want hij moest evenals zijn collega uit de 17de eeuw, wegens slecht gedrag worden afgezet.
Nadat enkele predikanten slechts vrij korte tijd hun diensten hadden verricht, kwam in 1828 ds. Engelbertus Schrader Fockens. Hij was een zoon van “Pa”Lucas Fockens, de bekende réveil-dominee van Sneek, wiens dochters zulk zegenrijk werk hebben verricht. De zoon wandelde echter niet in de voetsporen van zijn vader. Hij was, wat men toen vaak noemde, liberaal, wat in de praktijk betekende, dat hij met de Groninger richting van professor de Groot sympathiseerde en zijn gemeente dus minder de verlossing door Christus preekte dan wel Diens schone voorbeeld in allerlei deugden. Vandaar dat zijn zusters onder zijn predeking ook geen bevrediging vonden. Dr. Wumkes vertelt: Trochdat yn Snits liberale dûmnys stienen, koene de sisters it net rjucht yn de greate tsjerke flak neist hjarren bankje. En sa panderjen hja foetsjende elke Snein nei Heech om Ds. Felex to hearren. Hja stapten dan de tsjerken fan Jutrijp en Hommerts foarby, der’t hjar eigen learare, mar hy krige hjar net ûnder it gehoar, om’t hy tocht wer hwet oars oer de dingen.
Ds. Fockens bleef tot 1876. In dat jaar kreeg hij emeritaat. De opkomst schijnt in zijn laatste jaren niet groot meer geweest te zijn. Hij getuigde althans: “Wat mij in het ambt ervaren is zullen ook anderen na mij ervaren. Eerst een volle kerk, later slechts een opbrengst der zitplaatsen van slechts f 100.--.”
Volgen Heokema liep de opbrengst van de zitplaatsen inderdaad na het heengaan van ds. Fockens op tot f 400,--. Toen ds. P. J. Moeton de leidng kreeg, maar had ook onder hem later daling plaats van dit bedrag. Zo werd deze verhuur een thermometer van geestelijk leven geacht. Ds. Moeton schijnt “rechts”geweest te zijn en mij werd verteld, dat dit de oorzaak was, dat hij in Hommerts meer begeerd werd dan in Jutrijp, wat ten gevolge gehad moet hebben, dat hij Hommerts als residentie kreeg, tien er over de pastorie te Jutrijp moeilijkheden ontstonden. De gevolgen zijn dan ook tot op de huidige dag merkbaar, want de dominee woont nog steeds in Hommerts. Hepkema vertelt ook, dat bij een bezoek aan Jutrijp hem trots werd verteld: Onze kerk is rijk en bezit wel drie boereplaatsen, de Hommerts maar één en schuld!”Er was wel eens een beetje rivaliteit. Ds. Moeton, die van 1877—1885 hier stond, werd opgevolgd door ds. A. Jonker, tijdens wiens ambtsperiode de doleantie ontstond. Lang is de gemeente in deze eeuw verzorgd door ds. J. L. van Apeldoorn, een der vooraanstaande figuren op het orthodoxe erf. Hij was de vader van Prof. Van Apeldoorn, die veel geschreven heeft over de kerkelijke goederen in Friesland. Van zijn opvolgers noem ik nog: ds. H. J. Langman, dr. M. H. Bolkenstein, die na zijn vertrek te Leeuwarden heeft gearbeid en later te Djakarta als rector van Hogere Theologische school, ds. Dikhout en de tegenwoordige pastor loci ds. H. de Noo, die sedert 1953 de zorg voor de ongeveer 850 Hervormden van Jutrijp en Hommerts heeft. Er is één kerkeraad voor de beide gemeenten, maar er zijn twee kerkvoogdijen. Jutrijp wint het in rijkdom nog van Hommerts, al heeft de kerk hier naar ik meen thans niet meer één, maar twee boereplaatsen. In de zomerhalfjaar wordt ’s morgens in de ene kerk gepreekt en ’s middags in de andere. In de winter wordt in Jutrijp de ene zondag twee keer gepreekt en te Hommerts de andere zondag. Dit met het oog op de brandstofbesparing. Een groot bezwaar is het niet, want de beide kerkgebouwen staan maar 10 minuten lopen van elkaar. Wat het bezoek betreft: de inwoners van Jutrijp en Hommerts zijn beter dan hun vaderen tijdens ds. Fockens, of de dominees zijn beter, want mij werd verteld, dat de diensten uitstekend worden bezocht. Is het misschien niet zo te verklaren, dat wanneer het Evangelie van de Verlossing wordt gepreekt, er altijd wel ‘belang stelling” is, die verflauwt, zodra – zoals in de vorige eeuw – de menselijke braafheid wordt verkondigd?
Als stichtingsdatum van de Gereformeerde Kerk van Jutrijp en Hommerts wordt opgegeven 21 oktober 1888. Dat zal de dag zijn, waarop de “dolerende” kerkeraad werd bevestigd, want woensdag 26 september 1888 had in de schuur van F. Hofman een vergadering plaats van de lidmaten van de Hervormde gemeente die voor de doleantie kozen. Op 17 september deden daartoe een oproep A. E. Jager, F. Hofman en D. G. de Jager. De leiding van de vergadering beruste bij dr. L. Wagenaar van Heeg, die in heel de omgeving de leids- en raadsman van de dolerenden was, zoals Sikkel tussen Sneek en Leeuwarden. Vooraf was een hele correspondentie gevoerd met de kerkeraad van de Hervormde kerk van Jutrijp-Hommerts en deze brieven zijn nog alle in het bezit van de heer J. Hofman, zowel de verzoekschriften van een aantal lidmaten om het kerkverband te verbreken als de antwoorden van de kerkeraad, geschreven door ds. Jonker. Toen de poging om de kerkeraad te bewegen, om de weg der doleantie op te gaan, mislukte, traden de leden, waarvan gelovigen zelf op, om tot reformatie over te gaan”. Behalve de genoemde vier mannen, komen in de stukken ook voor E. van Dijk en M. M. Vos. Maar feitelijk moesten twee stichtingsdata van de Geref. Kerk van Jutrijp en Hommerts worden genoemd, want in dezelfde tijd, dat de doleantie ontstond, werd ook een Christelijk Gereformeerde kerk geïnstitueerd. Wanneer dit precies heeft plaats gehad, daar kon ik niet achter komen.


 

Kerk en toren Hommerts in 1722

 


Of is die 21 oktober 1888 misschien de datum, waarop de Afgescheidenen” hun kerk stichtten? Wellicht is het nog uit te vinden. In WumkesDorps- en Stadskroniek wordt in elk geval vermeld, dat in 1888 een Christelijk Gereformeerde kerk werd gebouwd te Hommerts en het volgende jaar kreeg deze kleine gemeente een eigen herder en leraar in ds. H. Dijkstra, de later zo bekende predikant van wat we nu zouden noemen het zendings-thuisfront. Ook ds. J. Kok, die van 1892—1894 hier stond, was dominee van de afgescheidenen”. Van de pogingen tot samenwerking en samensmelting van Christelijk Gereformeerden en Nederduits-Grereformeerden, Zoals de beide groepen officieel heetten, heeft de heer hofman noch brieven. Dit kon echter eerst geschieden na 1892, toen landelijk de vereniging tussen beide kerkformaties tot stand kwam, al betekende dat niet, dat het direct ook plaatselijk gebeurde. Sommige A- en B-gemeenten hebben nog jaren naast elkaar bestaan. In Hommerts werd naast het kerkje van de Christelijk Gereformeerden nu ook een eenvoudig bedehuis van de Dolerenden gebouwd. In 1894, volgens Wumkes de 15de maart, had de ineensmelting van de beide gemeenten tot de ene Gereformeerde Kerk plaats. Het kerkje van de A-mensen werd verkocht (tegenwoordig postkantoor) en dat van B werd het gemeenschappelijk kerkgebouw. Het was geen kathedraal en het is dat nog niet, al is het een jaar of zes geleden verbouwd en verbeterd maar de kerkgangers kunnen zich troosten, dat de schoonheid en groote van het gebouw tenslotte niet beslissend is, maar wel het Woord, dat er verkondigd wordt. De ineensmelting moet nog plaats gehad hebben onder ds. J. Kok, die echter op 1 april 1894—als de datum in Wumkes’ kroniek goed is, twee weken na de vereniging – vertrok. Jutrijp-Hommerts is een candidaten-gemeente. De meeste predikanten hebben er dan ook vrij kort gestaan. Ds. J. L. van Apeldoorn – precies dezelfde naam, ook wat de voorletters betreft als de Hervormde predikant, die ik in het begin van dit artikel noemde – is acht jaar gebleven,maar hij stond er gedurende de oorlog en in die tijd ging het verhuizen zo vlot niet. H. W. Ferderhof was de eerste predikant van de verenigde gemeente, die hij van 1894—1898 diende. Ik zal nu ook niet alle namen noemen van hen, die hem opvolden, maar behalve dan ds. J. L. van Apeldoorn, noteerde ik wel die van ds. S. wesbonk (1924—1927) en ds. A. M. Wymenga (1932—1937), omdat zij in de provincie wel algemeen bekend zijn geworden. Dr. G. Sinia stond hier van 1951—1955 en na een vacature van een paar jaar kwam ds. J. Visser, die nu de zorg voor de circa 250 zielen heeft.
De bewoners van Jutrijp en Hommerts zijn nooit achterlijk geweest, al woonden ze achteraf. In de Middeleeuwen toch hadden zij al een school, Hommerts althans, zoals uit het kalendarium blijkt. In het jaar 1429, in September, de tweede dag na de geboorte van Maria, heeft Johannes Splinter, een kloostergeestelijk, het bestuur der scholen (meervoud!) hier ter hand genomen, met goedvinden van de eerwaarde heer Simon van Enkhuizen, hier pastoor, ten tijde van de geëerde mannen Thieto Hettingha en Gosfroinus voogden dezer kerk, welke Jezus de zoon van Maria sterke en vermeerdere in alle goede werken…….
Johannes Splinter heeft de leiding niet lang gehad, al is de rest van het bericht niet duidelijk. In elk geval zat hij met pastoor Simon van Enkhuizen in 1434 in Langweer. Maar dat doet er tenslotte niet toe. Er blijkt dat er een School was en dat is de hoofdzaak. Ook in Jutrijp was in de Roomse tijd al een Schoolmeester, die, toen de hervorming kwam, niet mee wenste te gaan met de “nije lere) en dewege moest worden vervangen door iemand van onverdachte gereformeerde principes. Doch aangezien zo iemand aanvankelijk niet te vinden was, werd “de paapse meester” nog maar wat aangehouden. Aldus vertelde me de heer Cnossen. In de overgangstijd zag men inderdaad niet erg nauw en het schijnt gebeurd te zijn, dat een dorpsherder “rooms en gereformeerd doopte” naar keuze der ouders. Na de Hervorming hadden Hommerts en Jutrijp ook ieder een eigen school, die uit kerkfondsen werd betaald. Toen in de vorige eeuw de staatsschool kwam, bleef althans in Jutrijp de kervoogdij nog een groot deel van de kosten van het onderwijs dragen, zoals ook op andere plaatsen in Friesland het geval was. De heer J. Kuiper heeft daarvan allerlei voorbeelden meegedeeld en ook Jutrijp daarbij als een typisch exempel aangehaald.
In de vorige eeuw, omstreeks 1840, werd de dorpsschool te Jutrijp bezocht door 30 leerlingen. Aan één onderwijzer had men genoeg en deze kreeg volgens een oproep van 1824: f 220,-- inkomen per jaar, schoolgeld van 25 leerlingen, vrije woning en een voer turf. Van deze brandstof moest hij echter ook de school verwarmen en des zondags de stoven van de kerkeraadsleden en de Kerkvoogden verzorgen. Voorts had hij nog het gebruik van het kerkhof, maar mocht er nirt op laten weiden. Hendrik P. Buisman is een lange tijd hoofd in Jutrijp geweest. Hij ligt er ook begraven en een zerk door de leerlingen bekostigd, met het opschrift: “Uit hoogachting zijner leerlingen, Spreuken 10 : 7a” dekte zijn graf. In dezelfde tijd was meester R. K. Kuiper een gezien schoolmeester te Hommerts. In 1843 werd uit kerkefondsen te Jutrijp een nieuwe openbare school gebouwd en ook üit eigen fondsen”, zoals Meester door de gebroeders H. en P. Bouman. De tijden veranderden en doordat ook in Jutrijp en Hommerts het réveil doorwerkte hier de begeerte om Christelijk onderwijs te geven. Onder ds. Fockens was er weinig kans op kerkelijke steun, maar de “vrienden der Waarheid” pakten evengoed de zaak aan. En het is opmerkelijk, dat juist hier een der eerste Christelijke scholen in Friesland werd gesticht. De mening, hiervoor geuit, dat Hommerts een 90 jaar geleden actiever op dit gebied was dan Jutrijp, wordt bevestigd door een uitspraak, die ik tegenkwam van de liberale predikant: “Ten Zuiden van de brug riekt het naar de dompers”. De 11de maart 1863 vergaderden ten huize van Ypke Ruurds Veldhuis te Jutrijp: Piet Douwes Piersma, Jan Tjalkes de Jong, Wopke Tjalkes de Jong, Jan Wytzes Piersma, Lieuwe Siercks Cnossen en Veldhuis zelf. Behalve de gastheer waren het allen mannen uit Hommerts. Ook was aanwezig de candidaat-notaris A. Miedema uit Sneek, die als deskundige hielp bij het opstellen van de Statuten atc. Men begon geld in te zamelen en men wist het tot ruim f 600,-- inkomsten per jaar te brengen, terwijl de uitgaven jaarlijks op f 945,-- werden geschat. Veel steun ontving men van ds. Knap te Heeg, die agent was van de vereniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs. Er werd niet alleen gewerkt, maar ook gebeden. Telkens lezen we tussen de korte notulen opmerkingen als deze: Bidstond gehouden den 4 september.

 

Kerk en toren van Jutrijp in 1722

 


Tot tekst genomen 1 Joh. 5 : 15 Ik geloof, dat er in die tijd heel wat meer gebeden werd voor de Christelijke scholen dan thans. Tot hoofdonderwijzer werd aangesteld de heer W. C. van Munster, van Bemmel, de man, die later vele jaren in Leeuwarden heeft gearbeid aan de school in de Kruisstraat te Leeuwarden en naar wie de school aan de Spanjaardslaan is genoemd, een der voortrekkers in onze provincie.

 

De 4de mei 1864 werd de school geopend. Ik kan niet nalaten, om een klein stukje uit de notulen over te nemen:


Heden was het de dag, waarop wij ons verblijden en lang naar uitgezien en gewenscht hadden, de dag der inwijding van onze bijzondere Christelijke school. Er waren dan ook een aanzienlijke menigte menschen, zowel uit onze woonplaats als uit de omliggende dorpen samengekomen, Waaronder verscheidene leden van de gemeenteraad en van de plaatselijke schoolcommissie. 25 kinderen waren tegenwoordig bij de opening, terwijl de anderen, die zich ook nog aangegeven hadden door verschillende omstandigheden waren verhinderd aan de plechtigheid deel te nemen.

Als agent van de Vereniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs opende de Weleerw. Heer Ds. Knap hierop met gezang en gebed de vergadering en drukte vooral op het doel, dat zich de vereniging voorstelde met het oprichten en ondersteunen van Chr. Bijz. scholen, dat zijn hoorders zich niet moesten voorstellen, dat het was om een Sectegeest te bevorderen, maar integendeel aan de kinderen datgene te geven wat de staatsschool hun geven kon….. Hij bewees uit de Heilige Schrift, zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament, hoe noodzakelijk het is, om de kinderen voor en boven alles te onderwijzen in die dingen, die hun eeuwig welzijn betreffen. Verder spraken Jan Tjalkes de Jong, die vooral ds. Knap bedankte voor de vele hulp en Meester Binnendijk van Workum, waar kort te voren ook een Christelijke school was geopend.


Na de plechtigheden werden alle gasten ten huize van de president, P. D. Piersma onthaald op een koude tafel terwijl de kinderen in de school werden getracteerd.
De collecte bracht f 133 op.

 

Van steun van kerkelijke zijde was eerst geen sprake, daar de kerkvoogden en notabelen evenals de predikant tegenstanders waren van Christelijk onderwijs. Op den duur veranderde dat. Jutrijp en Hommerts “gingen om”, zoals al werd beschreven en voortaan subsidiëerde de kerk van Hommerts ook de christelijke school, terwijl in Jutrijp, waar evenals in zoveel andere Friese dorpen, de school en het meesterhuis eigendom waren van de kervoogdij, die bovendien nog een f 400,-- jaarlijks aan de openbare school betaalde, in 1883 deze school een Cristelijke school werd. De kerkvoogdij zegde de gemeente het gebruik op, zoals dat ook in andere dorpen in Friesland geschiede. De school ging voortaan niet uit van de kerk, zoals in Oosthem en Abbega, maar van een vereniging. Zo werd Jutrijp als het ware een dochterschool van Hommerts.

In Hommerts zelf kwam in 1892 een tweede Christelijke school. Dat was het gevolg van de Doleantie. Meester Brouwer, die van 1883—1892 Hoofd van de school was (hij is in Hommerts overleden) ging met de Doleantie mee. Een poging om hem deswege te ontslaan, werd met een kleine meerderheid verworpen en van dat ogenblik af aan was er voordurende wrijving, vooral over het aannemen van nieuwe leden en de betaling van schoolgelden. Het gevolg was, dat onder leiding van ds. Jonker, Pier d. Piersma, die lang voorzitter geweest is van het eerste schoolbestuur, Seye Visser en Kest Gaastra een nieuw schoolvereniging werd gesticht voor Chr. Volksonderwijs. De kerkvoogdij verschafte de nodige middelen om de herberg van Struiksma te kopen (voor f 3900,--) en deze werd tot school ingericht. De heer A. Bijl werd tot hoofd benoemd (1892—1902). Zo waren er nu in de beide dorpen drie Christelijke scholen en die zijn er tot op vandaag. Pogingen, die in Hommerts zijn gedaan, om de beide scholen te verenigen, zijn mislukt. Het is niet doenlijk alle hoofden te noemen, maar ik wil toch een paar namen in herinnering brengen.Aan de “oude school” te Hommerts heeft vele jaren gewerkt de heer Mulder, die ook van zo grote betekenis is geweest voor het Friesch Dagblad en die op allerlei terrein veel arbeid heeft verricht.

Meester Nauta heeft van 1902—1934 aan het hoofd gestaan van de Hervormde school te Hommerts en van de school te Jutrijp noem ik de beide Bijls, A. en Z. Bijl. Te Jutrijp is thans werkzaam de heer G. Cnossen, die er zijn zilveren ambtsjubileum al gevierd heeft, evenals de heer Ph. Koudenburg (thans met pensioen) als hoofd van de Geref. School te Hommerts. Laatstgenoemde is opgevolgd door de heer B. Tamminga, terwijl na het vertrek van de heer P. van der Wal de heer T. Stavenga de leiding van de Herv. School te Hommerts heeft gekregen. Deze laatste school is een driemansschool met 84 leerlingen, de beide andere zijn tweemansscholen, de herberg vormde te Jutrijp met 42, de geref, n.l. de Christelijke kleuterschool met 27 “beukers” onder leiding van mej. Westra. De openbare scholen zijn reeds jaren geleden opgeheven.

Diensten

  • In de meeste diensten op zondag maken we gebruik van een beamer.

    We zijn op zoek naar versterking van ons team. De leden van het beamteam maken om beurten een powerpoint-presentatie van de liturgie, die ze opgestuurd krijgen van de dominee aan het begin van de week. Dat maken duurt ongeveer anderhalf uur. Voor meer informatie en aanmelden kunt u contact opnemen met onze predikant: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

     
  • Zondag 19 augustus - 9.30 uur

    voorganger: ds. F. de Hoop

    organist:      H. Jaasma

    koster:         J. v.d. Goot